|
DE LAATSTE BEVER

In het woeste ruige Nederland van vele eeuwen geleden was de bever een
normale verschijning. De stromende wateren vormden een dynamisch en levend
landschap, waarbij de geulen en afgesneden riviertakken omzoomd waren met
ooibos. Ons waterrijke land was bij uitstek een beverleefgebied. Daar is
verandering in gekomen onder invloed van de bevolkingsdruk en de behoefte
aan hout en cultuurgrond. Onze rivieren en beken werden omgesleuteld tot
waterafvoer-systemen in oneindig groen agrarisch land. De laatste wilde
bever werd gedood in 1826 bij Zalk langs de IJssel. Sindsdien zijn
subfossiele vondsten en toponiemen met de naam bever het laatste wat rest
van het vroegere voorkomen.
In de tweede helft van afgelopen eeuw zijn enkele ontwikkelingen in gang
gezet die zouden resulteren in een voorzichtig herstel van het ooibos. De
Deltawerken elimineerden de eb-vloed bewegingen in de Biesbosch. Als
gevolg daarvan greep het moerasbos zijn kans.
Langs de grote rivieren vond ontkleiing plaats om grondstof te winnen voor
de baksteenindustrie en dijkverzwaringsprojecten. Niet al deze
ontkleiingen werden gehercultiveerd, zodat de natuur er bezit van kon
nemen. Daardoor ontkiemden in sommige uiterwaarden weer ooibossen.
Langzaamaan ontstond er weer leefgebied voor bevers in Nederland.
Tegen deze achtergrond werd in de jaren tachtig de discussie gevoerd om
bevers te herintroduceren in ons land. De bever is namelijk een onmisbare
ecologische component met een verrijkende invloed op het ecosysteem moeras
en moerasbos. Met zijn vermogen om bomen om te knagen functioneert dit
dier als wegbereider voor talloze planten- en diersoorten. In 1988 was het
zover en werden de eerste Elbe-bevers met succes uitgezet in de Biesbosch.
Bron: Stichting Ark
<<<TERUG |